Keurmeestersvereniging Kleur- en postuurkanaries

Opleiding keurmeester Kleurkanaries

Module 4 CELLEER Uitgifte: februari 2006

____________________________________________________

CELLEER

In deze module zal op een minder wetenschappelijke, maar meer populaire wijze worden ingegaan op

zaken die zich afspelen rond de cel met daarin de genen van waaruit de erfelijke eigenschapen zijn

opgebouwd. Ingegaan zal worden op de plaats van de erfelijke eigenschappen en de wijze waarop ze van

de ene generatie overgaan op de andere. De Celleer kan worden beschouwd als het technische gedeelte

van de erfelijkheidsleer.

 

 

DE CEL

Bij het bestuderen van erfelijke eigenschappen bij de kanarie gaat de aandacht vooral uit naar

bijvoorbeeld de zangcapaciteit, de kleuren in de bevedering of het postuur van het lichaam. Duidelijk is

dat hier sprake is van levend materiaal dat onder invloed van de erfelijke eigenschappen zo optimaal

mogelijk wordt gevormd om die eigenschappen herkenbaar te maken. Gesteld kan worden dat de cel als

kleinste vorm van leven kan worden beschouwd. Het woord “cel” is afkomstig van het Latijnse “cellula” dat

“kamertje” betekend. In dit verband werd het woord cel voor het eerst gebruikt door Robert Hooke, die in

1665 ontdekte dat kurk uit e groot aantal lege cellen was samengesteld. Tegenwoordig wordt de naam cel

uitsluitend gebruikt voor de in die kurk niet meer aanwezige celinhoud.

Ieder levend organisme is opgebouwd uit cellen. Afhankelijk van de grootte en omvang kunnen

organismen bestaan uit één cel, bijvoorbeeld een amoebe en sommige groenwieren, of uit miljarden

cellen, bijvoorbeeld dieren en de mens. De grootte van een cel is zeer uiteenlopend en kan variëren van

10-100 micron (1 micron = 1/1000 millimeter).

 

a. Soorten cellen.

In iedere kanarie komen diverse soorten cellen voor. Zij hebben echter niet alle dezelfde bouw, waardoor

ze in staat zijn een speciale taak te vervullen. Voorbeelden hiervan zijn:

spiercellen beweging

opperhuidcellen bescherming

beencellen steun

zintuigcellen opvang van prikkels

zenuwcellen impulsgeleiding

Het voert te ver bovenstaande groepen cellen alle afzonderlijk te behandelen. Het totaal bezit aan soorten

cellen kan worden samengevat in twee begrippen:

a. Lichaamscellen Hieronder vallen alle soorten cellen die zorg dragen voor de vorming en

instandhouding van het individu,

b. Geslachtscellen Dit zijn de cellen die zorgen voor de voortplanting van het soort.

Deze globale indeling in twee groepen is bewust gekozen omdat bij de bespreking van de vermeerdering

van cellen, dezelfde groepen weer terug te vinden zijn.

 

b. De bouw van een cel.

Dank zij de ontwikkeling van de elektronenmicroscoop is de mogelijkheid geopend de fijne structuur van

een cel te bestuderen. Op een foto, gemaakt door een dergelijke microscoop wordt een enorme

hoeveelheid materiaal waargenomen, opgesplitst in groepen en eenheden die ieder een functie vervullen

bij de opbouw en energielevering van een cel. Het voert in het kader van dit boek te ver om alle

celorganen en hun functies nader te behandelen. Wel zullen de belangrijkste begrippen en functies nader

worden toegelicht omdat het anders te moeilijk wordt een goed beeld te krijgen van wat zich verder in en

rond een cel zich afspeelt.

 

Een sterk vereenvoudigde, schematische, weergave van een cel toont onderstaande afbeelding:

De begrenzing van een dierlijke cel bestaat uit een celwand of celmembraam. Binnen deze celwand

bevindt zich een taai vloeibare massa, het cytoplasma, ook wel protoplasma genoemd. In dit cytoplasma

bevinden zich een groot aantal celorganen. Deze celorganen worden verder buiten beschouwing gelaten,

met uitzondering van het centraal lichaampje of centrosoom, een klein rond lichaampje welke een grote

rol speelt bij de kerndeling.

In iedere cel bevindt zich een KERN, het voor de kanariekweker als meest belangrijkste aan te merken

celorgaan in het cytoplasma. Deze kern wordt begrenst door de kernmembraam of kernwand. Binnen

deze kernmembraam bevinden zich de CHROMOSOMEN, die zoals zal blijken, beschouwd kunnen

worden als de dragers van de erfelijke eigenschappen.

 

CHROMOSOMEN

In het kernplasma bevinden zich de chromosomen. Dit woord is afgeleid van de combinatie chromos =

kleur en sooma = lichaampje. Chromosomen kunnen zichtbaar gemaakt worden bij een microscopisch

onderzoek doordat ze chemisch gekleurd kunnen worden. Chromosomen zijn zeer klein van afmetingen

en vorm, ze zijn in een cel welke zich in een rusttoestand bevindt nauwelijks waarneembaar.

a. De bouw van een chromosoom.

De bouw van een chromosoom is moeilijk in een eenvoudige bewoording samen te vatten. Een

chromosoom is opgebouwd uit moleculen. Lange tijd werd verondersteld dat deze moleculen gevormd

werden door uitsluitend eiwitten, maar met het voortschrijden van de diverse technieken bleek dit niet

geheel juist te zijn. Het belangrijkste bouwmateriaal blijkt het z.g. kernzuur te zijn. Dit kernzuur wordt

aangeduid met de afkortingen DNA en RNA.

Zonder in bio-chemische details te treden kan worden gesteld dat een chromosoom is opgebouwd uit

twee ketens, die spiraalvormig zijn opgewonden. Tussen deze twee keten bestaan weer chemische

verbindingen. Het geheel doet wel iets denken aan bijvoorbeeld een wenteltrap. De twee ketens met hun

bijbehorende verbindingen zijn opgebouwd uit verschillende chemische structuren. Zo zijn de ketens

opgebouwd uit en zuur = fosforzuur ( F ) en een suiker = desoxyribose ( S ) terwijl de onderlinge

verbinding gevormd wordt door een base welke in vier vormen kan voorkomen n.l. als adenine ( A ),

thymine ( T ), guanine ( G ) en cytosine ( C ). Afhankelijk van een combinatie van één van de vier basen

met het fosforzuur en het suiker, kunnen vanuit het cytoplasme via aminozuren bepaalde enzymen

worden opgebouwd, die zoals straks zal blijken, verantwoordelijk zijn voor een bepaalde erfelijke

eigenschap.

In ieder chromosoom bevindt zich een gedeelte dat een afwijkende bouw heeft ten opzichte van de

overige moleculen. Dit gedeelte wordt wel het centromeer genoemd. Dit centromeer speelt een actieve

rol bij de beweging van de chromosomen.

Samenvattend kan de bouw van en chromosoom worden omschreven als:

Een chromosoom bestaat uit twee ketens, die spiraalvormig zijn opgewonden en zijn opgebouwd uit

eiwitten en kernzuren.

 

b. Het aantal chromosomen.

Bij ieder levend organisme zit in iedere cel eenzelfde aantal chromosomen. het aantal is evenwel

kenmerkend voor ieder soort. Zo heeft het bananenvliegje 8, een hond 22, een vos 42 en de mens 46

chromosomen. Het aantal chromosomen bij vogels is zeer moeilijk te bepalen. Vogels bezitten namelijk

behalve een aantal grote chromosomen of macrochromosomen zeer vele uiterst kleine

chromosomen of microchromosomen. Deze microchromosomen zijn zeer moeilijk te tellen door hun

zeer geringe afmetingen. Na bestudering van een aantal vogelfamilies heeft men vastgesteld dat bij de

vink, de keep, de sijs en de kanarie het aantal chromosomen 80 bedraagt. Deze kunnen als volgt worden

aangegeven:

De kanarie bezit in iedere cel 18 grote chromosomen of macrochromosomen, daarnaast bevinden zich in

iedere cel nog 62 kleine chromosomen of microchromosomen.

In alle tot nu toe verschenen publicaties over dit onderwerp bij de kanarie, werd geen aandacht

geschonken aan deze microchromosomen. Dit vond zijn oorzaak in het feit dat alle bekende erfelijke

eigenschappen over de grote chromosomen verdeeld konden worden. Met het bekend worden van

steeds maar weer nieuwe erfelijke eigenschappen, gaat deze benadering niet meer op en is het

aannemelijk dat er ook eigenschappen verdeeld zijn over die microchromosomen. Daar toch de grote

chromosomen een duidelijk belangrijke rol spelen bij de wijze van vererving van eigenschappen, zullen

deze uitvoeriger worden beschreven.

De 18 grote chromosomen, die bij de kanarie een belangrijke rol spelen, zijn niet alle gelijk van vorm. Van

ieder type chromosoom zijn er steeds twee aanwezig en vormen zo een chromosomenpaar. Als de twee

chromosomen van een paar aan elkaar gelijk zijn van vorm en opbouw dan worden deze aangegeven als

homologe chromosomen of als homoloog chromosomenpaar. Bij een mankanarie zijn alle

chromosomen aanwezig als homologe paren, bij de popkanarie is hierop een uitzondering die nog nader

toegelicht wordt.

Het aantal grote chromosomen van de kanarie kan op twee verschillende manieren worden aangegeven.

Een kanarie bezit: 18 enkele of haploïde chromosomen, of 9 dubbele of diploïde chromosomen.

 

c. Groepen chromosomen.

De 9 diploïde chromosomen van een kanarie zijn paarsgewijs onderling verschillend van vorm en type;

maar ook van functie. Mede afhankelijk van de functie kunnen de chromosomen van een kanarie

ingedeeld worden in twee groepen:

1 paar geslachtschromosomen,

8 paar autosome chromosomen.

Het onderlinge verschil is als volgt samen te vatten:

a. de geslachtschromosomen zijn geslachtsbepalend en de dragers van de kenmerken die

geslachtsgebonden zijn.

b. de autosome chromosomen zijn de dragers van de factoren die onafhankelijk van elkaar vererven

maar die wel invloed kunnen uitoefenen op elkaar en de geslachtsgebonden kenmerken.

 

d. Geslachtschromosomen.

Van de 9 diploïde chromosomen van een kanarie, behoort één paar tot de zogenaamde

geslachtschromosomen. Het begrip homologe chromosomen is al even ter sprake geweest waarbij is

opgemerkt dat bij een popkanarie niet alle chromosomenparen homoloog zouden zijn. In tegenstelling tot

de geslachtschromosomen van de mankanarie zijn de geslachtschromosomen van de popkanarie niet

homoloog. Een popkanarie bezit dus in plaats van een homoloog paar, twee verschillende

geslachtschromosomen. Slechts op één chromosoom liggen de nu bekende factoren, het andere

chromosoom bezit slechts een gering aantal factoren die op dit moment nog geen aanwijsbare relatie

hebben met bekende factoren. Populair gezegd bezit een popkanarie een leeg geslachtschromosoom.

 

Deze situatie komt allen voor bij vogels en vlinders, bij de mens en de zoogdieren is het andersom, dan

heeft de man een “ leeg” geslachtschromosoom.

CHROMOSOOMDELING.

Een chromosoom, de drager van erfelijke factoren, speelt een belangrijke rol bij de overdracht van

erfelijke eigenschappen van de ene generatie op de volgende. Dit is mogelijk doordat tijdens het proces

van celdelingen, die straks worden besproken, iedere chromosoom in de zich delende cel verdubbeld en

vervolgens wordt overgebracht in de nieuw gevormde celen.

Tijdens het celdelingsproces strekt de spiraal van het DNA zich en gaat overlangs splitsen. Zodra de twee

spiralen uit elkaar gaan zal ieder stukje van het DNA molecuul de ontbrekende basen uit het kernplasma

aantrekken. Dit gebeurt in dezelfde volgorde als de oorspronkelijke base-volgorde.

De verdubbeling van het DNA vindt plaats aan weerszijden van het op de oorspronkelijke chromosoom

aanwezige centromeer. Hierdoor ontstaan op een bepaald moment dus twee ketens van DNA verbonden

door het centromeer. Deze twee ketens worden chromotiden genoemd. In een later stadium van het

celdelingsproces zal ook het centromeer zich delen. Dan ontstaan twee chromosomen die volledig aan

elkaar gelijk zijn.

 

ENZYMEN.

Bij het bespreken van de bouw van een chromosoom is reeds ter sprake gebracht dat het kernzuur een

belangrijke rol speelt bij onder anderen de vorming van enzymen. “ Leven” is als eigenschap van een

organisme een samenspel van diverse scheikundige reacties, die gelijktijdig of naast elkaar verlopen. Al

deze reacties en processen komen tot stand onder invloed van enzymen.

 

Enzymen zijn stoffen, die in staat zijn chemische processen te versnellen of te vertragen waarbij deze

vertraging zodanig kan zijn dat een bepaald proces niet optreedt.

Enzymen zorgen voor de opbouw en afbraakprocessen die in een cel plaats vinden. Hiertoe beschikt een

cel over duizenden enzymen en enzymcombinaties. Deze zijn in een grote verscheidenheid aanwezig.

Eiwitten zijn bijvoorbeeld enzymen, opgebouwd uit aminozuren. Daar er twintig aminozuren bestaan,

kunnen hieruit vele combinaties worden gevormd. Sommige enzymen komen in alle organismen voor.

Daarnaast beschikken organismen over aan het soort eigen enzymen. Zo beschikt de mens over een

groot aantal menselijke enzymen en hebben het bananenvliegje, een erwt en een kanarie enzymen, die

alleen bij deze soorten te vinden zijn. Zo ontwikkelt en gedraagt een kanarie zich op en manier die typisch

is voor de kanarie.

De bouw en leefwijze van een soort zijn dus te danken aan de enzymen waarover deze soort beschikt.

Dat elk soort beschikt over de aan het soort-eigen enzym of enzymgroepen is het gevolg van de erfelijke

aanleg, die vastgelegd is in de genen op de chromosomen in de kern van de cellen.

 

GENEN.

Een chromosoom is opgebouwd uit eiwitten en kernzuren. Als een stukje van een chromosoom nader

wordt bekeken dan kan worden vastgesteld dat dit stukje een bepaalde chemische samenstelling heeft

dat zal afwijken van weer een volgend stukje. Op deze wijze is een chromosoom op te delen in vele

afzonderlijke stukjes, die ieder voor zich een bepaalde, onderling verschillende, chemische samenstelling

hebben. Door die samenstelling zullen al deze stukjes ook verantwoordelijk zijn voor de aanmaak van

verschillende enzymen. De eigenschappen van deze enzymen zijn dan ook onderling verschillend.

De werking van deze verschillende enzymen kunnen ook vertaald worden in het begrip eigenschappen

of erfelijke factoren.

Al die verschillende stukjes van een chromosoom noemen we genen ( één stukje is een gen - spreek uit

als “ geen “ ) . Een gen kan beschouwd worden als een stukje chromosoom dat verantwoordelijk is voor

de vorming van een erfelijke eigenschap. Hieruit volgt dan ook

Chromosomen zijn de dragers van erfelijke eigenschappen.

Een gen oefent haar invloed en werking dus uit onder invloed van de voor dit gen kenmerkende

enzymgroep. Ook vastgesteld kan worden dat iedere chromosoom bestaat uit een groot aantal

verschillende genen. Dit aantal kan ondanks de huidige genetische kennis, bij een kanarie niet in getallen

worden uitgedrukt. Zijn de aantallen genen op en chromosoom niet in een getal uit te drukken, wel is

bekend dat de genen ieder voor zich een vaste plaats op het chromosoom hebben.

De vaste plaats van een gen op een chromosoom wordt locus genoemd.

 

GENMUTATIE.

Iedere gen is verantwoordelijk voor de werking van een voor dit gen kenmerkende enzym. Als de

chemische structuur van een gen niet wijzigt, zal de werking van dit enzym in iedere generatie altijd

dezelfde zijn.

Wanneer chromosomen verdubbeld worden, gebeurt dat zo nauwkeurig dat iedere cel niet alleen het

juiste aantal chromosomen krijgt maar iedere nieuw gevormde chromosoom bezit precies dezelfde genen

als de oorspronkelijke chromosoom. De uiteengedraaide keten van het DNA molecuul trekt uit het

omliggende cytoplasma die baseparen aan, die nodig zijn om de oorspronkelijke combinatie te herstellen.

 

Het kan evenwel voorkomen dat er een afwijkende basepaar wordt aangetrokken waardoor de

oorspronkelijke combinatie wordt gewijzigd. Dit geeft tot gevolg dat het dan gevormde gen andere

enzymen zal opbouwen. Hiermee wijzigt dan tevens de werking van de factor.

Een plotseling optredende verandering in de werking van een oorspronkelijke erfelijke eigenschap is een

mutatie.

Deze mutatie moet evenwel aan de volgende voorwaarde voldoen:

Er is sprake van een mutatie van een erfelijke eigenschap, als de daardoor ontstane nieuwe werking van

deze eigenschap erfelijk kan worden vastgelegd.

Dit houdt in dat de nieuwe werking van de oorspronkelijke eigenschap via gericht kweken in de volgende

generatie kan worden vastgelegd.

 

ALLELOMORFEN.

In het voorgaande is vastgesteld dat de genen op de chromosomen ieder een vaste plaats hebben. Deze

vaste plaats wordt aangegeven als de locus van een gen. Ook is aangegeven dat chromosomen steeds

paarsgewijs voorkomen en met uitzondering van het paar geslachtschromosomen van een popkanarie

aan elkaar gelijk, dus homoloog, zijn.

Hieruit volgt dat de homologe chromosomen ieder voor zich dezelfde chemische structuur bezitten.

Stel dat de locus van een gen of groep genen met een cijfer zou kunnen worden aangegeven dan volgt uit

bovenstaande dat de factor met een cijfer 3 op chromosoom A1 precies gelijk is aan de factor met het

cijfer 3 op chromosoom A2. Het homologe chromosoom is dan paar A.

Hieruit volgt de definitie:

Twee factoren, die hetzelfde locus hebben op een homoloog chromosomenpaar, zijn elkaars

Allelomorfen of Allele’s.

Het is dus niet zo dat bijvoorbeeld factor 5 op A1 dezelfde werking heeft als de factor 2 op A2. In diverse

vakbladen wordt vaak deze fout gemaakt als men factoren in symbolen gaat uitdrukken.

Wat wel voorkomt is dat twee factoren, die elkaars allele’s zijn, beiden niet dezelfde werking hebben.

Factor 2 op A1 kan z’n oorspronkelijke structuur bezitten en factor 2 op A2 kan een gewijzigde structuur

hebben verkregen waardoor z’n werking ten opzichte van de oorspronkelijke vorm is gewijzigd.

Factor 2 op chromosoom A1 is dan de Wildallele of wildvorm,

 

Factor 2 op chromosoom A2 is dan de Mutant.

Deze twee begrippen komen ook terug in de erfelijkheidsleer.

 

MULTIPLE ALLELOMORFEN.

Het uitgangspunt is dat een gen of groep genen, verantwoordelijk is/zijn voor één factor. Twee factoren,

die samen een allelomorfe vormen, zijn afhankelijk van hun werking verantwoordelijk voor een bepaald

kenmerk. Er bestaat evenwel ook nog een andere mogelijkheid. In onderstaande schematische

voorstelling van een chromosomenpaar wordt een factor, aangegeven met het cijfer 3, opgebouwd uit drie

stukje chromosoom, dus uit drie verschillende genen: 3a, 3b en 3c.

Als twee factoren elkaars allele’s zijn, dan blijkt uit bovenstaande dat de factor met het cijfer 3 op

verschillende wijzen een kenmerk in het uiterlijk kan veroorzaken:

a. als 3a + 3a d. als 3ab + 3ab

b. als 3b + 3b e. als 3ac + 3ac

c. als 3c + 3c f. als 3bc + 3bc

Maar ondanks deze verschillen blijft het steeds factor 3. Dergelijke mogelijkheden van één en dezelfde

factor noemen we multiple allelomorfen.

Een multiple allelomorfe is een toestandsverandering van één factor in verschillende organismen.

In de praktijk van de kanariekweek komt dit verschijnsel onder anderen terug bij eigenschappen als de

blauwfactor, de intensieffactor en mogelijk ook bij de geelfactor. Bij postuurkanaries komt dit voor bij de

schubtekening van de Lizard.

 

CELDELINGEN.

Bij de beschrijving van cellen is een indeling gemaakt in twee hoofdgroepen namelijk:

a. Lichaamscellen,

b. Geslachtscellen.

Bij de beschrijving van de celdelingen zullen beide groepen afzonderlijk worden besproken.

Deling van lichaamscellen.

Iedere kanarie ontstaat uit een bevruchte eicel, welke door celdelingen uitgroeit tot een volwassen vogel.

Als deze volgroeid is, blijft er een celdeling plaats vinden. Afgestorven cellen moeten door nieuwe worden

vervangen, wonden worden genezen en nieuwe veren zullen ook steeds weer worden gevormd door

celdelingen.

 

De celdeling die zorgt voor de groei en instandhouding van het lichaam wordt Somatische celdeling of

MITOSE genoemd.

Voor de beschrijving van deze celdeling zal gebruik worden gemaakt van een aantal sterk

vereenvoudigde tekeningen waarbij een cel is getekend met daarin twee paar chromosomen. Uiteraard

moet hierbij niet uit het oog worden verloren dat de kanarie in iedere cel tenminste 9 paar grote

chromosomen en 31 paar kleine chromosomen bezit.

Schematische schets van een cel voordat deze zich gaat

delen.

Bij het begin van de celdeling gaat het centrosoom bij de kernmembraam zich

splitsen, iedere helft hiervan komt bij de polen van de cel te liggen.

Hierdoor ontstaan twee polen (asters) in het cytoplasma waartussen een

“spoel” komt te liggen. Deze spoel bestaat uit draden die van de ene aster nar

de andere lopen.

De kernwand is verdwenen. De chromosomen rangschikken zich in het

midden van de cel.

De chromosomen delen zich nu overlangs zodat uit iedere chromosoom twee

dochter chromosomen ontstaan, die volkomen gelijk zijn aan het chromosoom

waaruit zij zijn ontstaan.

Onder invloed van de trekdraden van de spoel gaat het ene

dochterchromosoom in de richting van de ene aster, het andere beweegt zich

in tegenovergestelde richting.

Op deze manier komt bij iedere aster één groep chromosomen te liggen.

In het midden van de spoel ontstaat een scheidingsvlak, welke tot een

celmembraam zal uitgroeien.

 

Asters en spoelfiguur zijn verdwenen.

Om de chromosomen ontstaan kernwanden.

Nu zijn twee cellen gevormd, welke uitgroeien tot normale grootte.

Samenvattend kan worden vastgesteld:

Uit een moedercel zijn twee dochtercellen gevormd, die ieder voor zich in het bezit zijn van dezelfde

chromosomen en in hetzelfde aantal als die moedercel.

Na de vorming van de twee dochtercellen zal de deling zich voortzetten met deze twee cellen totdat de

opbouw van dat deel van het lichaam is voltooid dat door deze cellen moet worden gevormd of in stand

worden gehouden.

 

Deling van geslachtscellen.

Wanneer de geslachtscellen dezelfde deling zouden ondergaan als de lichaamscellen, dan zouden de uit

deze deling ontstane cellen hetzelfde aantal chromosomen bezitten als de oorspronkelijke cel. Bij een

bevruchting zou dan de kiemcel, die gevormd wordt door het samengaan van een mannelijke en

vrouwelijke geslachtscel het dubbele aantal chromosomen gaan bezitten. Bij elke daarop volgende

generatie zal dit worden herhaald en al spoedig zal de cel te klein zijn om alle chromosomen te bevatten.

Daarom heeft de “ natuur “ er voor gezorgd dat de geslachtscellen een celdelingsproces ondergaan

waardoor het aantal chromosomen in de zaad- en eicellen tot de helft worden terug gebracht.

De celdeling die zorgt voor de vorming van actieve geslachtscellen noemen we de reductiedeling of

 

MEIOSE.

Voor het beschrijven van deze deling wordt weer uitgegaan van een eenvoudige schematische

voorstelling van een cel met twee paar chromosomen.

Ook nu ontstaan er na splitsing van het centrosoom twee asters, met een spoel

daar tussen.

De kernwand verdwijnt.

De bij elkaar behorende chromosomen gaan tegenover elkaar liggen in het

midden van de spoel.

Zij verdubbelen zich, maar splitsen zich nu niet overlangs bij de mitose.

Iedere chromosoom bestaat nu uit twee zogenaamde chromatiden.

In dit stadium kan zogenaamd crossing-over optreden.

 

Onder invloed van de trekdraden gaat het ene deel van het

chromosomenpaar naar de ene pool, de andere naar de tegenover liggende

pool.

Wanneer de chromosomen bij de asters zijn aangekomen volgt er een

insnoering en wordt er een nieuwe celwand gevormd, dwars door de spoel.

Asters en spoelfiguur verdwijnen.

De kernwand komt niet terug.

Er zijn nu twee cellen gevormd waarin geen diploide chromosomen

aanwezig zijn.

De homologe chromosomen zijn gescheiden en komen nu niet meer paarsgewijs voor.

Na de zogenaamde 1e reductiedeling, volgt nu de 2e reductiedeling.

In beide dochtercellen ontstaan weer twee asters en een spoel.

De haploïde chromosomen gaan naar het midden van de cel.

De chromosomen splitsen zich nu door de invloed van de trekdraden op het

centromeer.

Door deze splitsing worden de twee chromatiden van één chromosoom weer

een zelfstandig chromosoom.

De chromosomen verplaatsen zich naar de asters.

 

Vervolgens vormt zich een nieuwe celwand in het midden van de spoel

d.m.v. insnoering.

De spoelen en asters gaan nu verdwijnen, er komen kernmembramen om de

chromosomen.

Het resultaat van de 1e- en 2e reductiedeling is een viertal cellen, ontstaan

uit één.

Het aantal chromosomen is gehalveerd.

In iedere cel bevindt zich nu een aantal chromosomen in haploïde vorm. Bij de kanarie dus 9 grote

chromosomen en 31 kleine chromosomen.

Waarom is deze halvering van het chromosomen-aantal nodig ?

Een nieuw individu ontstaat uit de versmelting van een zaadcel met een eicel. Zo vormt er zich een

bevruchte eicel of zygoot. Als bij de vorming van actieve geslachtscellen het aantal chromosomen eerst

niet tot de helft zou worden terug gebracht, dan zou in de zygoten steeds een verdubbeling van het aantal

chromosomen plaats vinden; dus in plaats van 18 grote chromosomen ontstaan er dan 36 grote

chromosomen.

 

GAMETEN.

De gevormde cellen aan het eind van de reductiedelingen worden aangeduid als gameten. bij de

vorming van mannelijke gameten of spermatozoïden, worden alle cellen actief. Bij de vorming van

vrouwelijke gameten of eicellen wijkt dit af, hier wordt slechts één gameet actief daar deze zich alleen

volledig heeft ontwikkeld. Na de eerste reductiedeling ontvangt één van de dochtercellen het grootste

gedeelte van het cytoplasma. Uit bovenstaande blijkt dat twee soorten gameten kunnen worden

onderscheiden:

a. mannelijke gameten of zaadcellen,

b. vrouwelijke gameten of eicellen.

 

ZYGOOT of KIEMCEL.

Voor dat de bevruchting plaats vindt, wordt één vrouwelijke gameet of eicel actief. Deze actieve eicel zal

worden bevrucht door een mannelijke gameet of zaadcel. Beide gameten zullen samensmelten tot één

cel, die zich door somatische celdelingen verder zal gaan ontwikkelen tot en volwassen individu. Een

versmolten cel, ontstaan door een mannelijke en vrouwelijke gameet wordt een zygoot genoemd.

In de zygoot of kiemcel van de kanarie zijn de haploïde chromosomen van de mangameet en popgameet

verenigd. Hieruit volgt dat in een zygoot het aantal chromosomen weer diploïd is.

Homozygoot.

Een zygoot wordt dus gevormd door de samensmelting van een mangameet en een popgameet.

Bevinden zich op de chromosomen in beide gameten precies dezelfde erfelijke eigenschappen, dan

spreken we van een homozygote erfelijke aanleg in de nieuw gevormde zygoot.

Heterozygoot.

Als de erfelijke eigenschappen op de chromosomen van beide gameten niet aan elkaar gelijk zijn,

bijvoorbeeld een verschil in maar slechts één factor, dan is er sprake van een heterozygote erfelijke

aanleg. ( hetero = ongelijk).

 

GAMEETVORMING.

In het laatste stadium van de 1e reductiedeling zijn de homologe chromosomen uit elkaar gegaan en

zullen niet weer samenkomen. Uitgaande van een cel met bijvoorbeeld drie diploïde chromosomen zullen

in de gevormde gameten drie haploïde chromosomen aanwezig zijn. Welke chromosoom van het

oorspronkelijke paar dit zal zijn is niet volgens een wetmatigheid vast te stellen. Wel kunnen

waarschijnlijkheidsberekeningen worden gemaakt waarbij wordt vastgesteld welke mogelijkheden zich

kunnen voordoen.

Als voorbeeld wordt uitgegaan van een cel met drie chromosomenparen. Op ieder paar ligt respectievelijk

de factor A-B-C. Daar deze factoren paarsgewijs voorkomen en elkaars allele’s vormen kan dit als volgt

worden aangegeven:

Op het eerste paar chromosomen liggen de allele’s A1 en A2, op het tweede paar B1 en B2 en op het

derde paar C1 en C2. De groepen chromosomen die in de te vormen gameten aanwezig kunnen zijn, zijn

dan:

A1 - B1 - C1 A2 - B1 - C1

A1 - B1 - C2 A2 - B1 - C2

A1 - B2 - C1 A2 - B2 - C1

A1 - B2 - C2 A2 - B2 - C2

Het bepalen van deze combinaties wordt het vaststellen van de mogelijke gameetvorming genoemd. Uit

het voorbeeld blijkt dat bij 3 verschillende factoren, die verspreid liggen over meerdere chromosomen, in

totaal 8 gameetcombinaties mogelijk zijn. Bij ieder gegeven aantal factoren kan deze gameetvorming

worden bepaald met behulp van de rekenkundige aanduiding 2n

( twee tot de macht n) waarbij n = het aantal verschillende factoren op verschillende chromosomen-paren.

In het genoemde voorbeeld dus 2³ = 2x2x2=8.

Dergelijke gameetvormingen kunnen optreden bij zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtscellen.

Uitgaande van een kleurkanarie met 9 diploïde grote chromosomen en op ieder paar een verschillende

 

factor, dan zijn al 512 gameetcombinaties mogelijk. Daar op chromosomen ook gekoppelde factoren

liggen die onderhevig kunnen zijn aan crossing-over, kan het aantal nog groter worden.

 

CROSSING-OVER.

Bij de bespreking van de 1e reductiedeling is een stadium aangegeven waarin de homologe

chromosomen paarsgewijs in het midden van de cel liggen. In dit stadium zijn de chromosomen reeds

verdubbeld en bestaan uit twee chromatiden.

In bovenstaande schematische voorstelling zijn de chromatiden boven elkaar getekend in het midden van

de cel. In werkelijkheid blijkt dit niet juist te zijn maar zullen de chromatiden van de homologe

chromosomen elkaar omstrengelen waardoor ze samen bijna één geheel gaan vormen. Deze innige

omstrengeling noemen we een tetrade.

Het onderling contact tussen deze vier chromatiden kan zeer intensief zijn waardoor de mogelijkheid zich

voordoet dat twee chromatiden aan elkaar vast raken. Het aanrakingsvlak van deze chromatiden wordt

chiasma genoemd.

Onder invloed van de trekdraden van de spoel, wordt op de omstrengelde chromatiden een kracht

uitgeoefend in de richting van de asters. De chromatiden worden als het ware weer uit elkaar getrokken.

Dit kan tot gevolg hebben dat op de aanrakingsvlaken breuken ontstaan in de betreffende chromatiden.

Deze breuken worden weer hersteld maar het komt voor dat het oorspronkelijke deel van de ene

chromatide aangroeit aan die van de andere chromatide.

Het uitwisselen van stukken chromatiden wordt aangegeven met het begrip crossing-over.

Bij de bespreking van de reductiedeling is aangegeven dat onder invloed van de trekdraden het ene deel

van het homoloog chromosomenpaar naar de ene pool, de andere naar de tegenover liggende pool gaat.

Deze delen bestaan dan nog uit chromatiden. Als er geen crossing-over optreedt, zal de oorspronkelijke

opbouw van de genenreeks op het chromosoom niet worden gewijzigd en worden in de gevormde

gameten, aan het einde van de 2e reductiedeling dezelfde erfelijke eigenschappen aangetroffen als die

welke zich in de oorspronkelijke geslachtscel bevonden.

 

Enkele crossing-over.

Schematisch kan het optreden van crossing-over als volgt worden aangegeven:

 

4 chromatiden van een homoloog chromosomenpaar, voor de

omstrengeling.

De twee witte chromatiden en de twee zwarte worden zusterchromatiden

genoemd.

Overkruising van twee chromatiden: na het breken van de stukken op het

aanrakingsvlak vindt een onderlinge uitwisselingen van chromatidestukken

plaats.

De uitwisseling heeft plaats gevonden en er zijn nu chromosomen

ontstaan, bestaande uit chromatiden met een andere samenstelling.

Eén van de zusterchromatiden is gelijk gebleven, de andere is in opbouw

veranderd.

Het gevolg van de veranderde opbouw van die chromatide is dat tijdens de 2e reductiedeling, na de

overlangse splitsing van het chromosoom, gameten gevormd worden die deels bestaan uit de

oorspronkelijke opbouw ( geheel wit of geheel zwart) en deels een gewijzigde opbouw hebben: zwart/wit,

zwart/wit. In dit laatste geval kan de erfelijke aanleg van zo’n gameet gewijzigd zijn.

In het voorbeeld is één overkruising aangegeven tussen de chromatiden. In zo’n geval is er sprake van

een enkele crossing-over.

Het resultaat van het optreden van crossing-over is dan ook dat oorspronkelijke factorencombinaties

worden verbroken en nieuwe worden gevormd. Indien een homoloog chromosomenpaar bestaat uit

factoren die in zowel de wildvorm als mutant aanwezig zijn, dan kan de nieuw gevormde

factorencombinatie verantwoordelijk zijn voor een veranderde erfelijke aanleg, zonder dat er sprake is van

een nieuwe mutatie.

Een praktisch voorbeeld van deze conclusie wordt gevonden bij een homoloog chromosomenpaar waarbij

op de ene chromosoom de factoren z+ en rb+ liggen en op het andere chromosoom de mutanten van

deze factoren : z en rb. ( Voor de schrijfwijze van symbolen zie het hoofdstuk over de toegepaste

erfelijkheid). Uitgaande van het optreden van een enkele crossing-over en gebruik makend van de reeds

vermelde schematische voorstelling kan dan onderstaand schema gemaakt worden:

 

Uit dit voorbeeld blijkt dat uitgaande van de oorspronkelijke erfelijke eigenschappen ( de aanleg voor de

kanariekleuren zwart en isabel), na een enkele crossing-over, tijdens de 2e reductiedeling gameten zullen

worden gevormd die deze eigenschappen weer teruggeven. Daarnaast zijn twee nieuwe eigenschappen

ontstaan en wel: z+ rb en z rb+, de aanleg voor de kanariekleuren agaat en bruin. De verklaring hiervan

wordt nader toegelicht bij de bespreking en het in formule brengen van erfelijke eigenschappen.

In het voorbeeld is sprake van twee eigenschappen op het chromosoom, dus ook op de chromatiden. In

de praktijk liggen meerdere eigenschappen op één chromosoom. Er van uitgaande, dat geen crossingover

plaats vindt tussen zusterchromatiden, zijn onderstaande mogelijkheden ook aanwezig waarbij de

niet veranderende chromatiden niet zijn getekend.

Het aantal voorbeelden is nog wel verder uit te breiden maar samenvattend kan worden gesteld:

Bij een enkele crossing-over vindt er één overkruising plaats tussen twee of tussen twee groepen van

factoren.

 

Dubbele- en meervoudige crossing-over.

Het is mogelijk dat het aantal aanrakingsvlakken tussen de omstrengelde chromatiden niet beperkt blijft

tot één, maar dat dit het geval is op meerdere plaatsen.

Er is sprake van dubbele crossing-over als zich twee overkruisingen voordoen tussen drie of drie

groepen factoren.

Gebruik makend van een schematische voorstelling, waarbij meerdere factoren op het chromosoom

liggen, zijn o.a. onderstaande combinaties mogelijk:

Het is ook mogelijk dat het aantal overkruisingen groter is dan twee. Indien overkruisingen plaats vinden

tussen meer dan drie factoren of drie factorengroepen, dan is er sprake van een meervoudige crossingover.

Mogelijke combinaties zijn o.a.:

 

Frequentie crossing-over.

Zoals reeds opgemerkt is er sprake van crossing-over als er breuken ontstaan in de chromatiden.

uitgangspunt moet evenwel zijn dat het optreden van deze breuken geen normaal verschijnsel is. Bij het

bestuderen van crossing-over en het daaruit voortvloeiende gevolg dat gameten worden gevormd met

een gewijzigde aanleg, kwam men tot de conclusie dat bepaalde eigenschappen of groepen

eigenschappen niet werden gekoppeld aan andere eigenschappen. Hieraan werd dan ook de stelling

verbonden:

De kans op het optreden van crosing-over en daarmee de vorming van gameten met een gewijzigde

erfelijke aanleg, wordt bepaald door de onderlinge afstand van de plaats die de eigenschappen op het

chromosoom in nemen.

Waar doet crosing-over zich voor ?

Hoewel crossing-over niet plaats vindt tussen zusterchromatiden, zal dit verschijnsel zich uitsluitend

voordoen bij homologe chromosomen. Het is niet van belang of dit homoloog paar bij de man dan wel bij

de pop aanwezig is.

Uitgaande van deze voorwaarde, volgt dan direct de conclusie dat er geen crossing-over mogelijk is bij

het geslachtschromosoom van de pop; dus niet bij de geslachtsgebonden factoren van de pop. Het

geslachtschromosoom van de pop vormt immers geen homoloog paar.

samenvattend kan worden gesteld dat crossing-over kan plaats vinden :

a. tijdens de 1e reductiedeling van geslachtscellen,

b. bij een popkanarie, tussen gekoppelde factoren die op een autosoom chromosomenpaar

liggen,

c. bij een mankanarie, tussen gekoppelde factoren die op het geslachtschromosoom liggen

en of tussen gekoppelde factoren die liggen op een autosoom chromosomenpaar.

Het “nuttige” effect van crossing-over is uiteraard het grootst als dit zich voltrekt tussen gekoppelde

factoren waarvan de allele’s niet gelijk zijn.